• Je kan zowel radiaal- als diagonaalbanden op je auto monteren. Op dezelfde as moeten banden van dezelfde structuur gemonteerd zitten. Als je vooraan radiaalbanden plaatst, moet dat achteraan ook.
Er zijn drie correcte manieren om de banden te plaatsen:
Op het reservewiel mag een radiaal- of een diagonaalband liggen. Sommige automerken voorzien een reservewiel met kleinere afmetingen. Pas altijd je snelheid aan als je met een reservewiel rijdt.
• De diepte van de groeven moet over de gehele omtrek van de band minstens 1,6 mm zijn. Met een eenvoudig dieptemetertje kan je de diepte van de groeven nameten. Tegenwoordig hebben de meeste banden ook merktekens in de groeven, die aangeven wanneer de minimum diepte van de groeven bereikt is. |  |
Het textiel van de band mag vanzelfsprekend nergens zichtbaar zijn. Je mag niet rijden met opnieuw ingesneden banden. Voor de banden van een aanhangwagen gelden dezelfde criteria. Rijden met afgesleten banden verhoogt de remafstand aanzienlijk en maakt de auto gevoeliger voor watergladheid (aquaplaning). |  |
Banden verslijten vlugger als je hard optrekt, hevig remt of snel door de bochten gaat. Abnormale slijtage of slijtage aan één kant van de band kan het gevolg zijn van o.a. een versleten ophanging of een verkeerde wieluitlijning; wend je met dit soort problemen tot een vakman. |  |