Motorvoertuigen moeten zo uitgerust zijn, onderhouden worden en bestuurd worden, dat de veiligheid van het verkeer niet in het gedrang komt en de andere weggebruikers niet gehinderd worden; d.w.z.: geen brandstof of olie verliezen, geen overdreven rookontwikkeling of lawaai. Het is trouwens gewoon verboden de motor in vrijloopstand herhaaldelijk te versnellen (op te jagen) door snel achter elkaar gas te geven.
Ook het gewoon laten draaien van de motor in vrijloopstand is verboden, behalve in geval van noodzaak.
Elke
bestuurder is verplicht alle nodige voorzorgen te nemen om
misbruik door derden (diefstal) te
voorkomen en als je auto ermee uitgerust is moet de inrichting ter voorkoming van diefstal gebruikt worden.