| |
5.4 Vertrekken en aankomen
|
|
85
|
|
Loop geregeld eens rond je auto voor je instapt en controleer of de banden in orde en de ruiten, lichten en buitenspiegels schoon zijn. Om in te stappen loop je best van de motorkap naar het portier toe; ondertussen hou je het verkeer dat naar je toe komt in het oog. Als je van achter de motorkap komt, stop dan even bij de linker koplamp om de verkeerssituatie in te schatten. Hou bij het instappen de sleutel(s) in je rechterhand en hou met je linkerhand het portier open. |  | | | |
|